Energiecoaches tijdens het Energiek Festival, in gesprek met bewoners over energiebesparing en de energietransitie in de wijk.

© Ximena Davalos fotografie

Masterscriptie over Taalmilieucoaches in BoTu

Hoe worden wijkbewoners in Bospolder-Tussendijken betrokken bij de huidige energietransitie binnen de context van beleidsprogramma BoTu Veerkrachtig 2028?  Deze vraag onderzocht Yannick Drijfhout door te kijken naar hoe de ‘taalmilieucoaches’ – vrouwen uit de buurt die hun netwerk helpen met praktische hulp zoals vertalen of verduurzamingstips – hun rol invullen in de lokale energietransitie. Uit het onderzoek blijkt echter dat deze vrouwen verder gaan dan enkel praktische hulp: ze vinden veel kracht in hun rol en vormen een cruciale schakel tussen instanties en bewoners voor wie de energietransitie als een ver-van-mijn-bed show voelt. Tegelijkertijd lopen ze vanuit deze rol tegen verschillende obstakels aan.

Wat is de titel van het onderzoek?

Bringing the migrant community to the governance table. A qualitative case-study on governance of the taalmilieucoach-project in Bospolder-Tussendijken.

Wie is de onderzoeker?

Dit masterscriptie-onderzoek is gedaan door Yannick Drijfhout, masterstudent Sociologie aan Erasmus School of Social and Behavioural Sciences (Erasmus Universiteit Rotterdam), met een specialisatie in Governance of Migration and Diversity. De scriptie werd geschreven onder begeleiding van Wenda Doff en Gijs Custers. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met Veldacademie.

Wat is de status van het onderzoek?

Het onderzoek vond plaats in 2021 en is dat jaar afgerond.

Wat onderzocht je, waar en waarom?

Dit onderzoek vindt plaats in de context van de energietransitie. Deze transitie heeft meerdere kanten: de technische kant, wat raakt over de vraag: ‘welke technologieën worden ingezet om klimaatverandering tegen te gaan?’; anderzijds een sociale kant: mensen dienen hun gedrag aan te passen, zo is het van belang dat men minder gas gebruikt, anders kookt en woont. Beide kanten komen samen in stadswijken, waar de gemeente de sociaal-technische energietransitie uitvoert in samenwerking met woningcorporaties en grote bedrijven. De energietransitie landt daarom vaak op wijkniveau – vaak in stedelijke gebieden waar armoede en diversiteit samenkomen.

In deze lokale transitie wordt gestreefd naar ‘participatie’ en ‘inclusie’. Mooie woorden, maar in praktijk blijken ze ingewikkeld. Zeker in wijken waar veel mensen wonen waarvan Nederlands niet hun eerste taal is, waar veel mensen in sociale huurwoningen wonen of waar veel mensen in armoede leven, heeft de lokale overheid moeite om mensen te bereiken en betrekken. In praktijk zien we dat mensen met een ‘migratieachtergrond’, met name vrouwen, weinig worden betrokken bij informatiebijeenkomsten en besluitvormingsprocessen rondom de energietransitie. En dat terwijl de energietransitie letterlijk achter hun voordeur plaatsvindt: veel sociale huurwoningen worden van het gas gehaald en op het warmtenet aangesloten. Bewoners voor wie de energietransitie tot tastbare verandering leidt, worden zo niet betrokken.

De taalmilieucoaches slaan een brug naar groepen die de gemeente lastig bereikt. Zij doen dit vanuit hun inbedding in de lokale gemeenschap. Deze vrouwen spreken namelijk de taal van de buurtgenoten, hebben het vertrouwen en weten wat er speelt in de wijk. De gemeente speelt hier ook een rol in want zij hebben deze vrouwen uit de wijk ook gevraagd of mee te denken en helpen. De taalmilieucoaches werden bij elkaar gebracht  onder begeleiding van vrijwilligersorganisatie Stichting Pauw en sociale onderneming WijkEnergieWerkt. Zij hielpen de vrouwen bij het vrijwillig langs huizen gaan, gesprekken voeren over energie(besparing) en mensen helpen met kleine klusjes, zoals bijvoorbeeld isolatiefolie achter radiatoren aanbrengen.

Het idee van de taalmilieucoaches is op papier heel mooi, maar student Yannick Drijfhout heeft ook kritische vragen. Krijgen de vrouwen zo wel écht zeggenschap? Of komt het vooral de gemeente goed uit dat deze vrouwen vrijwillig helpen? En hoe voelen de vrouwen zichzelf in hun rol als taalmilieucoach?

Welke aanpak heb je gebruikt?

Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van kwalitatief onderzoek waarbij Yannick met mensen in gesprek is gegaan en luisterde naar hun verhalen. Zo voerde hij diepte-interviews uit. Dit zijn gesprekken waar de tijd voor wordt genomen zodat verhalen, ervaringen en gevoelens gedeeld kunnen worden. Deze interviews voerde Yannick uit met verschillende mensen die een bestuurlijke rol hebben in de energietransitie: het Rotterdams Milieu Centrum (RMC), Gemeente Rotterdam, Stichting Pauw, WijkEnergieWerkt en Eneco. Daarnaast sprak Yannick met de taalmilieucoaches, ofwel de vrouwen uit de wijk, zelf. Zelf volgde Yannick ook de taalmilieucoach-workshop van Rotterdams Milieu Centrum (RMC) die de vrouwen zelf gevolgd hebben, om te begrijpen wat je als taalmilieucoach allemaal leert.

Hoe dragen bewoners bij aan het onderzoek?

De taalmilieucoaches hadden een actieve en belangrijke rol gedurende het hele onderzoek. Zo deelden zij hun verhalen en ervaringen en dachten zij mee over de vraag ‘hoe voelen we ons in deze rol?’. Hun perspectief bepaalde uiteindelijk deels wat Yannick concludeerde in zijn onderzoek.

Wat is het belangrijkste dat je hebt geleerd?

Er zijn verschillende belangrijke inzichten die uit het onderzoek naar voren kwamen. Ten eerste geven de taalmilieucoaches echt verantwoordelijkheid te voelen door hun rol. Zo voelen zij zich verantwoordelijk voor hun eigen gemeenschap, de planeet en de toekomst van hun kinderen en kleinkinderen. Niet omdat de gemeente hen vertelde dat ze móésten participeren, maar omdat de vrouwen dat zelf wilden.

Daarnaast zit er een spanning tussen wat de gemeente zegt te willen doen en uiteindelijk doet. Zo zegt de gemeente het samen te willen doen, maar in de praktijk wordt er toch nog veel van bovenaf bepaald. Zo bepaalt de gemeente hoe samenwerkingen tussen organisaties als Stichting Pauw en WijkEnergieWerkt eruit moeten zien, terwijl zij dat eigenlijk beter zelf kunnen bepalen.

Nog een interessant resultaat is dat de taalmilieucoaches eigenlijk meer in hun rol deden dan de gemeente had verwacht. Zij gingen niet alleen langs de deuren voor gesprekken, maar groeiden echt in een rol als vertegenwoordiger van hun gemeenschap. Zo vertellen verschillende coaches dat ze een verantwoordelijkheid en trouw voelen richting de mensen uit de wijk die dezelfde taal of cultuur delen maar nu niet altijd op de juiste wijze door de overheid betrokken worden. Ook vertelt één van de coaches dat zij gesprekken heeft met bewoners over grote bedrijven en coöperaties als Eneco en Havensteder om de bewoners bewust te maken van de rol die deze organisaties hebben en dat zij soms ook fouten maken, en hierop mogen worden aangesproken.

Als gevolg hiervan is een belangrijk inzicht dat het vrijwilligerswerk van de taalmilieucoaches ook risico’s ofwel een andere kant heeft. De vrouwen doen namelijk belangrijk werk, maar wel gratis: zij krijgen geen salaris voor de hulp die zij de gemeente bieden terwijl ze wel belangrijke verantwoordelijkheden invullen. Dit werkt ongelijkheid in de hand.

Tot slot zag Yannick iets anders moois, namelijk dat de taalmilieucoaches hun culturele en religieuze achtergrond als krachtig en positief inzetten. Zo vertelt een van de vrouwen dat binnen de Islam de overtuiging is dat ‘de aarde in bruikleen is en dat we er daarom ook zorgvuldig mee om moeten gaan’. Soms wordt culturele diversiteit op politiek niveau als obstakel gezien, maar dit onderzoek maakt juist zichtbaar dat cultuur en taal een middel van verbinding en inspiratie kunnen zijn.

Wat kunnen bewoners met de inzichten van het onderzoek?

Samenwerken met gemeente en instanties kan gepaard gaan met een kritische houding. Het zijn vaak wijken als Bospolder-Tussendijken die de gemeente als ‘kwetsbaar’ omschrijft maar waar tegelijkertijd experimenten worden uitgerold, zowel binnen de energietransitie als daarbuiten. Het is van groot belang dat bewoners daarin een stevige stem hebben; de taalmilieucoaches zijn hier een goed voorbeeld van. Voor bewoners uit de omgeving toont het onderzoek aan dat de buurt veerkrachtig is en dat gezamenlijk optrekken helpt om gevoelens van ongehoord zijn te doorbreken. Het is dus niet beleid wat bewoners veerkrachtig maakt, want veerkracht zit al in gemeenschappen zelf.

Wat kunnen anderen (onderzoekers, professionals) ermee?

Andere wijken en steden kunnen zien dat dit model (met taalmilieucoaches uit de wijk zelf) werkt en hier inspiratie uithalen. Tegelijkertijd is het belangrijk om daarbij te zorgen voor een gelijkere (machts)positie.

Voor professionals en beleidsmakers van de gemeente laat dit onderzoek zien wat echte participatie betekent: mensen daadwerkelijk laten meedoen en -denken, in plaats van van bovenaf te zeggen wat zij moeten doen. Ook is dit onderzoek een oproep voor meer gelijkwaardigheid in de samenwerking met de gemeente. Grote bedrijven kunnen namelijk onderhandelen met de gemeente, maar kleine organisaties die economisch afhankelijker zijn vaak niet. Daarnaast is het een belangrijke overweging om vrijwilligers eerlijk te gaan betalen voor hun werk.

Tot slot kan dit onderzoek voor andere onderzoekers een inspiratiebron voor kritisch onderzoek zijn: kijk niet alleen naar wat de gemeente zegt, maar ook naar wat er werkelijk gebeurt. Luister goed naar verhalen en ervaringen, en de details daarin: mensen kunnen heel belangrijk werk doen en zeggenschap hebben, maar tegelijkertijd onderbetaald worden of te veel verantwoordelijkheid toegeschoven krijgen, terwijl deze met name bij grotere energieverbruikers ligt.

Hoe kunnen mensen meer te weten komen?

De volledige scriptie kun je hier lezen. Ook kun je via hun website meer over de Veldacademie te weten komen.

Hoe is het nu?

Na zijn onderzoek schreef Yannick er een artikel over voor Vers Beton, genaamd ‘Islamitische vrouwen slaan de brug tussen bewoners en grote spelers in BoTu’s energietransitie’. Ook onderzocht hij na zijn scriptie in Bospolder-Tussendijken het ‘lokaal participatief begroten-experiment’. Meer hierover vind je hier.

Met wie kunnen mensen contact opnemen als ze geïnteresseerd zijn in het onderzoek?

Als je graag in contact komt met Yannick, dan kan dat via y.drijfhout@uva.nl.

Meedenken?

Heb jij een origineel idee over hoe wij verhalen kunnen gebruiken bij het inzichtelijk maken van de waarde van lokaal initiatief in Delfshaven?