Wat hebben wij als wijk nodig om zelf onderzoek te doen?

Op 30 juni 2026 was de zevende bijeenkomst in de serie “de wijk als onderzoeker”. In eerdere bijeenkomsten hebben we gesproken over hoe onderzoek meer wijkgericht kan worden. Deze avond gingen wij een stap verder en stond de vraag centraal wat wij nodig hebben om zelf als bewoners onderzoek te doen. Wij hebben gesproken over bouwstenen die daarvoor nodig zijn, wat er al is en wat er nog ontbreekt.

Wij startten de avond met twee presentaties; van Jackie Ippel (BuurtBrein Amsterdam) en Emiel Rijshouwer (Design & publics, onderzoeker en betrokken bij Happy Socks, een groep wijkonderzoekers uit de Afrikaanderwijk en Vreewijk). Daarna is aan verschillende thematafels gesproken over vier bouwstenen.

BuurtBrein – Wijkonderzoekers in Amsterdam Nieuw-West

BuurtBrein, onderdeel van Stichting VoorUit, doet burgerwetenschap in Amsterdam Nieuw-West. Zij zijn vorig jaar begonnen met een groep wijkonderzoekers: bewoners uit de wijk die hun eigen onderzoeksvraag bepaald hebben en zelf onderzoek doen.  BuurtBrein staat voor radicale burgerwetenschap waarbij bewoners zelf de onderzoeksvragen bepalen, hun kennis en ervaring zijn leidend in het onderzoek en er wordt gelijkwaardig samengewerkt met onderzoekers.

BuurtBrein biedt een opleiding aan, waarin gelijktijdig aan het onderzoek bewoners vaardigheden leren door ontwerpend onderzoek te doen. Er is onderzoeksbudget beschikbaar per deelnemer, de wijkonderzoekers krijgen op dit moment niet betaald. Er is begeleiding door een buddysysteem met studenten (VoorUit verzorgt studentenhuisvesting in ruil voor een maatschappelijke bijdrage) en wetenschapbuddies.

Het onderzoeksproces bij BuurtBrein is als volgt:

  • Fase 1 (3maanden) – Begrijpen: “Je praat met mensen en luistert goed naar wat zij belangrijk vinden. Je kijkt wat er speelt in de buurt.”
  • Fase 2 (3maanden) – Verhelderen: “Je denkt na over wat je hebt gehoord. Je probeert de kern te vinden: waar gaat het om?”
  • Fase 3 (3maanden) – Bedenken: “Je bedenkt samen veel ideeën om iets beter te maken. Alles mag en kan.”
  • Fase 4 (2maanden) – Maken: “Je kiest één idee en maakt een eerste versie. Je laat zien hoe het kan werken.”
  • Fase 5 (2maanden) – Testen: “Je probeert je idee uit. Je kijkt wat goed werkt en wat beter kan.”

BuurtBrein wordt gezien als een route naar een erkende positie als wijkonderzoeker, met financiële waardering, waarbij wijkonderzoekers (ontwerpend) onderzoek uitvoeren voor organisaties en bijdragen aan lokale opgaven.

BuurtBrein heeft vier doelen:

  1. BuurtBrein zorgt voor persoonlijke ontwikkeling en levensvaardigheden voor buurtbewoners van Nieuw-West (empowerment).
  2. BuurtBrein biedt bewoners de taal en het netwerk om gelijkwaardig mee te doen in de samenleving (democratisering).
  3. BuurtBrein begeleidt zodat ervaringskennis kan groeien naar wijkkennis (bottom-up kennisontwikkeling).
  4. BuurtBrein betrekt en versterkt juist de stemmen van buurtbewoners die niet vanzelfsprekend deelnemen aan onderzoek (inclusieve kennisontwikkeling).

Happy Socks – Wijkonderzoekers in Afrikaanderwijk en Vreewijk

In de Afrikaanderwijk is er bij de coöperatie een tegenbeweging ontstaan. Waar bewoners eerst alleen maar hun kennis af mochten geven en vervolgens elke beslissing bij de onderzoeker lag, zijn bewoners nu zelf onderzoeker, onder de naam Happy Socks.

In 2023 is dit voor het eerst gedaan met het thema Gezondheid en Welzijn: Welke betekenis geven buurtbewoners hieraan? Wat zijn voor hen belangrijke onderzoeksvragen?

Het onderzoeksproces is vergelijkbaar met een standaardproces. Het is enigszins gericht op actie, maar de grootste wens is systeemverandering.

  • Stap 1 – Collectieve bepaling van urgenties. In dit geval is het gedaan door storytelling, iedereen wordt gevraagd om verhalen te vertellen. Hier kwamen urgenties uit. De urgenties bij het onderzoek over Gezondheid & Welzijn: drempels bij voorzieningen (toegankelijkheid), meer menselijkheid en sterkere lokale netwerken zijn essentieel (menselijkheid), verminderen negatieve effecten van fysieke en sociale omgeving (omgeving).
  • Stap 2 – Bepaling databehoefte, databronnen en datastrategie. Ofwel bepalen hoe op een laagdrempelige manier het onderzoek gedaan kan worden. Bewoners zijn hierbij ondersteund door professionele wetenschappers. Bij het onderzoek Gezondheid & Welzijn is hiervoor een onderzoekskit ontwikkeld. Bewoners konden deze invullen en ook hun buurtgenoten bevragen.  
  • Stap 3 – Dataverzameling. Met behulp van de kit, maar opvallend was dat er vele manieren waren hoe de kit in de praktijk werd gebruikt.
  • Stap 4 – Data analyse en visualisatie. Samen buigen over de vraag “wat zien we?”. Visualisatie is belangrijk, omdat het er mogelijk toe bijdraagt dat de resultaten makkelijker te bevatten en te communiceren zijn. Dit gebeurt zowel door bewonersonderzoekers zelf als met hulp van professionals.
  • Stap 5 – Waardecreatie met verschillende stakeholders. Bij Gezondheid & Welzijn is er een presentatie gegeven aan de stakeholders; onderwerpen en bevindingen zijn aangekaart bij beslissers, die mogelijk een rol kunnen spelen bij systeemverandering.

De rol die bewoners pakken binnen het onderzoeksproces loopt binnen de groep uiteen. Enkele zijn nog meer respondent, waarbij anderen meer de rol van onderzoeker op zich nemen.

Reactie op vragen:

  • Hoe voorkom je dat je “common sense” verzamelt of dat het alleen gaat over het dominante verhaal dat leeft in de wijk? De opdracht is andere bevragen en hierbij doorvragen, bijvoorbeeld naar concrete voorbeelden uit de praktijk. Ander onderzoek ernaast leggen blijft goed om te doen.
  • Wat is de invloed op de gemeenschap? Is het proces ook een interventie? Jazeker: elkaar beter leren kennen, de gemeenschap wordt sterker, autonomie wordt groter, meer collectieve kracht.
  • Hoe gaat het met de systeemverandering? Daar zit een opgave. Het gaat om beleidsmakers blijven voeden en het systeem blijven bevragen. Uit dit onderzoek zijn vervolgonderzoeken en – projecten met TNO, de gemeente en ombudsman voortgekomen, onder andere het in kaart brengen van de lokettenjungle.

De film die naar aanleiding van dit onderzoek gemaakt is ,“Waarde van wijkonderzoekers”, is hier te vinden: https://vimeo.com/1095832991

Thematafels

Aan gesprekstafels zijn vier bouwstenen besproken.

Tafel 1 – Kennis en vaardigheden

Aan deze tafel werd benadrukt dat wijkonderzoek niet alleen vraagt om onderzoeksvaardigheden, maar vooral om een bepaalde manier van samenwerken en een houding. Co-creatie is het uitgangspunt: onderzoek begint met een gedeeld doel, een gezamenlijke vraag en zorgen voor meerwaarde voor alle betrokkenen.

Naast klassieke onderzoeksvaardigheden werden juist houding en sociale vaardigheden als essentieel gezien. Creativiteit, flexibiliteit, kunnen improviseren en het vinden van een gezamenlijke taal en het kunnen wisselen van taal. Ook werd het belang benadrukt van het creëren van een veilige omgeving waarin mensen zich vrij voelen om hun ervaringen te delen en dat je manieren moet vinden om inclusief te zijn. Tegelijkertijd hoort bij de rol van wijkonderzoeker ook de bereidheid om irritant te zijn; ofwel kritische vragen te stellen en bestaande aannames te bevragen. Als wijkonderzoeker ben je daarmee soms een activist, maar tegelijkertijd heb je een brugfunctie tussen de systeem- en leefwereld.

Verder werd stilgestaan bij de vraag wat onderzoek eigenlijk is. De groep zag onderzoek niet alleen als het verzamelen van data, maar als een gezamenlijk leerproces waarin reflectie, kennisontwikkeling en maatschappelijke waarde centraal staan. Participatief onderzoek vraagt daarin om een andere manier van werken dan traditioneel onderzoek: deelnemers leveren niet alleen informatie aan, maar bepalen mede de richting van het onderzoek.

Verder werden vertrouwen, gedeelde verantwoordelijkheid en ruimte voor verschillende onderzoeksvormen, zoals creatieve methoden of theater, gezien als voorwaarden voor een wijkgedreven onderzoekspraktijk.

Tafel 2 – Richting geven aan onderzoek

Deze gesprekstafel verkende hoe onderzoeksvragen ontstaan en hoe bewoners gezamenlijk richting kunnen geven aan onderzoek. Daarbij werd benadrukt dat er geen vaste methode of ‘gouden standaard’ hiervoor bestaat. Iedere wijk kent een eigen geschiedenis en dynamiek en vraagt om een passende aanpak.

Een belangrijk uitgangspunt is dat onderzoek begint met aanwezig zijn, gesprekken voeren en dit alles zonder vraag vooraf. Community-building, het bouwen aan een gemeenschap, is een eerste stap.

Hieruit ontstaan vanzelf onderwerpen die mogelijk vragen om onderzoek. Waarbij de eerste belangrijke vraag dan is of onderzoek wel nodig of gewenst is. De groep vond het ook belangrijk om niet altijd vanuit problemen te vertrekken, maar ook ruimte te maken voor vragen die voortkomen uit kansen, ontwikkelingen of gezamenlijke ambities in de wijk.

Bij het bepalen van de richting van onderzoek zouden bewoners volgens de deelnemers een centrale rol moeten spelen. Niet alleen de universiteit moet richting geven aan onderzoek.

Onderzoeksvragen kunnen worden opgehaald via bestaande netwerken en structuren, zoals wijkraden, bewonersinitiatieven en andere actieve groepen in de wijk. Deze vormen samen een netwerk waarin signalen worden verzameld en afgewogen (mozaïek).

Een gezamenlijke onderzoeksagenda kan vervolgens helpen om zowel actuele / korte termijn als langlopende / lange termijn thema’s een plek te geven en ontwikkelingen in de wijk over een langere tijd te volgen.

Onderzoek hoeft niet altijd een concrete actie op te leveren, het mag ook gaan om kennisontwikkeling, versterken van de gemeenschap, een bijdrage aan beleid of verandering in het systeem.

Tafel 3 – Wat is praktisch nodig?

Deze tafel boog zich over de vraag wat praktisch nodig is voor het zelf doen van onderzoek als bewoners(collectief) in de wijk. Het verlanglijstje:

  • Een kennisbank en gedeelde werkomgeving – Een centrale plek voor data, onderzoeksrapporten en kennis op te slaan (kennisbank), waarbij data gezien wordt als common. Ook handleidingen, toolkits en andere hulpmiddelen kunnen hierin en open beschikbaar worden gemaakt. Een gedeelde online werkomgeving is ook wenselijk, zodat iedereen betrokken bij het onderzoeksproces eenvoudig kan samenwerken.
  • Fysieke plek – Een plek om onderzoek te doen (onderzoeks”lab”), maar ook een plek om samen te komen en kennis te delen.  Op deze plek kunnen ook onderzoeksresultaten zichtbaar en tastbaar gemaakt worden, bijvoorbeeld in de vorm van een tentoonstelling.
  • Toolkit of onderzoekskoffer – Een verzameling van methoden, werkvormen en praktische hulpmiddelen die wijkonderzoekers kunnen gebruiken. Met mogelijk ook een relatie met workshops voor het ontwikkelen van kennis en vaardigheden omtrent het doen van onderzoek.
  • Budget – Financiële middelen zijn nodig. Dit gaat om budget voor het faciliteren van onderzoekers. Denk bijvoorbeeld aan het huren van ruimte, verzorgen van eten en drinken, het regelen van oppas of andere praktische zaken die deelname mogelijk maken. Ook werd gesproken over een passende vergoeding voor wijkonderzoekers, financieel of in een andere vorm. Om dit mogelijk te maken is eerst een goed acquisitieplan nodig.
  • Apparatuur en software – Waar mogelijk gebruik maken van bestaande voorzieningen van bijvoorbeeld universiteit, hogeschool of onderzoeksbureaus. Ook werd de potentie van AI benoemd (bijvoorbeeld voor het transcriberen of analyseren van interviews).
  • Communicatiekanalen – Goede communicatie is nodig om bewoners te informeren over lopend onderzoek, resultaten te delen en zodat mensen weten hoe ze aan kunnen sluiten en mee kunnen doen.
  • Organisatie en begeleiding – Er is een organiserende structuur nodig die faciliteert, voorbereidingen treft en zorgt voor continuiteit. Het liefst wil je begeleiders uit de wijk zelf.
  • Gezamenlijke uitgangspunten (manifest) – Een gedeelde werkwijze is goed om te hebben. Een manifest beschrijft de gezamenlijke visie op onderzoek, inclusief ethische uitgangspunten, principes en afspraken over hoe wij te werk gaan. Daarmee geeft het antwoord op de vraag waarom en op welke wijze wij onderzoek doen.

De prioriteiten liggen volgens de groep bij: samenkomen, voldoende budget, begeleiding/organisatie en een gedeelde werkwijze.

Tafel 4 – Partners en rollen

Centraal in het gesprek stond dat wijkgedreven onderzoek niet draait om organisaties maar om relaties, van mens tot mens. Vanuit relaties ontstaan vervolgens netwerken, kennisdeling én maatschappelijke verandering.

De vaak gebruikte tegenstellingen als systeemwereld versus leefwereld, mens versus inhoud en organisatie versus bewoner, zijn hierin niet behulpzaam. Het gaat om het opbouwen van relaties tussen mensen, elkaar leren kennen, door het voeren van echte gesprekken. Het gaat hierbij om langdurige aanwezigheid in de wijk. Participatie wordt dan ook gezien als op lange termijn met elkaar doorwerken.

Sleutelpersonen in de wijk kunnen een belangrijke rol vervullen, zij komen tot de haarvaten van de wijk. Ook zijn er in de wijken al organisaties of collectieven die goed georganiseerd zijn; vanuit hier gaan bouwen aan een netwerk. Iedere bewoner, professional of organisatie beschikt over een portie informatie. Deze wil je met elkaar verbinden. Het gaat hierbij niet om overkoepelen, maar om onderkoepelen. Belangrijk om hierin aandacht te hebben voor dat bepaalde groepen niet aangehaakt zijn en dat sommige wijken nog minder actief zijn.  Een vraag die hierin nog open lag is welke schaal neem je, omdat elke wijk heel eigen is.

De groep noemde het een beweging, met mogelijk een sneeuwbaleffect. Tijdens het doen van onderzoek kan je meer mensen betrekken, zij kunnen ook weer andere opleiden et cetera en zo groeit het netwerk verder.  

Er is ook gesproken over de rol van partners bij maatschappelijke verandering. Wanneer onderzoek uiteindelijk impact wil maken, is het belangrijk om al vroeg na te denken over wie nodig is om resultaten daadwerkelijk verder te brengen. Dit vraagt om een bewuste onderzoeksstrategie: welke van je bondgenoten kunnen helpen met het realiseren van verandering.

Meedenken?

Heb jij een origineel idee over hoe wij verhalen kunnen gebruiken bij het inzichtelijk maken van de waarde van lokaal initiatief in Delfshaven?